De Stichting Sierk Schröder is de auteursrechthebbende op alle kunstwerken van Sierk Schröder

Home | Biografie | Lezingen

Lezingen / betogen / interviews
 

Sierk Schröder (1903-2002)

Lezingen / betogen / interviews

Lezing van Sierk Schröder.
Een datum is niet vermeld, maar uit de tekst valt op te maken dat deze gehouden werd halverwege de jaren zestig, toen hij hoogleraar was aan de Rijksacademie Amsterdam (1960-1968)

Heeft het figuurtekenen op de academies zin in deze tijd

Dames en heren,

Tien minuten spreken is niet lang! Maar voor wat ik meen over mijn onderwerp: “Heeft het figuurtekenen op de academies zin in deze tijd” te moeten zeggen, is het lang genoeg.

Uit alle werelddelen bent u naar Amsterdam gekomen. U verbaast zich, daar ben ik zeker van, over de schoonheid van deze stad. U zwerft langs de grachten (oh, dit woord “gracht”, zo moeilijk uit te spreken voor een vreemdeling) en u zult zich stellig wel eens afgevraagd hebben, hoeveel mensen komen jaarlijks in een van die grachten terecht? Ik kan u zeggen: heel wat. Menigeen moet een vrolijke avond of een onhandige manoeuvre met zijn auto, met een nat pak bekopen. En als het gebeurt, als de mensen van alle kanten toestromen, heeft de ongelukkige, die daar in het water spartelt, dan tien minuten nodig om te zeggen wat hij zeggen wil? Denkt u, dat hij er behoefte aan heeft de omstanders het oorzakelijk verband van zijn te water raken uit te leggen? Of bijvoorbeeld de historische achtergronden hiervan? Welnee, welnee, hij roept in het Nederlands, Frans of Engels: HELP.
Zie hier, dit is ongeveer mijn situatie, met dit verschil, dat u mij niet als drenkeling moet zien, eerder als iemand die alarm slaat, die BRAND wil roepen of “Houd de dief”. En daarom ben ik blij, dat ik gedwongen ben vrijwel zonder motivering u toe te roepen: Er gaat iets mis met het onderwijs op de academies. Het gaat verkeerd.
Wat is het geval? De algehele vrijheid in onze hedendaagse Kunst heeft ertoe geleid dat men in het Kunstonderwijs een fatale vergissing maakt. Men wil de vrijheid - die hemelse vrijheid, die als een Godsgeschenk toevalt aan maar enkele grote Kunstenaars, na een leven van veel en hard werken - aan de jeugd opdringen, die nog niet rijp is voor die vrijheid, er ook eigenlijk geen behoefte aan heeft, maar geleid wil worden.

Men is verrukt over elke uiting van vrijheid en neemt de onkunde die vooral bij de jongeren daarmee hand in hand gaat op de koop toe. Erger: er is een vertedering ontstaan voor de onkunde, men verwart onkunde met vrijheid. Deze opvatting is geworden tot een nieuw Academisme. Het begint al op de lagere school, het culmineert in het middelbaar onderwijs, waar het tekenonderwijs, de goeden niet te na gesproken, verworden is tot wat dilettantisch gemodder, met kleurtjes zonder werkelijke waarde, zelfs zonder echte vrije expressie, omdat deze in schoolverband en onder dwang wordt beoefend. Nieuwe schoolmeesters zijn immers opgestaan, vermomd in het gewaad van de vrije “kunstenaar”. Hun uniform is een artistiek uiterlijk, maar ze zijn op hun wijze even bekrompen als de oude tekenmeesters, alleen misschien wat gemakzuchtiger. Want hun onderwijs gaat niet verder dan met opgeheven wijsvinger de jeugd te verbieden te tekenen zoals ze graag zouden willen. Iets naar de natuur tekenen is belachelijk ouderwets, academisch. Het moet uit de ziel zelf komen, en om dit te bereiken dringt men hen de resultaten van de grote revolutionairen in de schilderkunst op, of laat deze als formules nabootsen! Toppunt van ongerijmdheid! Maar ik zeg u, dat de jeugd, de echte jeugd, niet die jeugdige grijsaards die zich zo graag voor de “jeugd” houden, maar de jongens en meisjes van achttien, negentien jaar, net zo goed dit academisme afwijzen als het academisme van de vorige eeuw door de jeugd van toen werd afgewezen.

Dames en heren, of we willen of niet, we moeten in de officiële Kunstwaardering een verschuiving constateren op dit ogenblik van de abstracte kunst naar nieuwe figuratieve tendensen. Dit is een feit en een verklaarbaar feit. Verklaarbaar, omdat de mysterieuze drang met eigen handen uit te beelden wat we waarnemen, en dan vooral om de mens uit te beelden, zo sterk is, zo sterk in ieder van ons leeft, dat we daarop altijd terug moeten vallen.
Laten we toch niet vergeten, dat zowel een Michelangelo als een holbewoner of een houtsnijder in Mexico hun inspiratie en kracht geput hebben uit deze bron. Het is de constante, in alle verscheidenheid der kunstuitingen. Het is de stam, die ook de bloemen der abstracte kunst gedragen en gevoed heeft.
Het verbaast mij niet dat men zich weer als een kind wil overgeven aan die aloude, echt menselijke wijze om zich te uiten. Het verbaast mij evenmin, dat weer zoveel jongeren - het zijn er meer dan u denkt - het zoeken in een grondige natuurstudie; en dat tégen de gangbare mening in, tégen hun leermeesters in, die het tekenen naar de natuur voor dood verklaren, zoals laatst door een directeur van een onzer grootste academies voor een volle zaal in het Gemeentemuseum in Den Haag verklaard werd. Maar ik zeg u, velen hebben er genoeg van, te zien door de formules van anderen. Men wil weer zelf tekenen, van voren af aan, en niets is hiervoor een betere en een hardere leerschool dan het tekenen van de menselijke figuur, en dat niet op de wijze als ons dit in de Popart wordt voorgezet.
De jongens die ik ken appreciëren de mop niet een naakte vrouw! blauw te verven en haar dan tegen een doek te drukken, hoe zeer deze grap ook door de directeuren der grote musea gewaardeerd wordt. Mijn jongens waarderen het niet een wc-bril in een museum geëxposeerd te zien als deze door een hen onbekende Amerikaan tot “kunstwerk” is verklaard, of de schunnigheden van een pissoir opgediend te krijgen in de vorm van twee uit elkaar gehaalde, pornografisch vervormde, modepoppen. Ze zoeken andere, betere dingen. Voor zover ik het kan zien, willen veel jongeren een vaste taak, een werkelijk moeilijke opdracht. Ik heb stemmen gehoord die zeiden dat het figuurtekenen voor de examens van het M.O. en op de academies maar opgegeven moest worden. Ik kan het begrijpen, het is namelijk erg moeilijk om het te leren en om het te onderwijzen, en onze generatie gaat graag moeilijkheden uit de weg, in tegenstelling tot wat ik bij mijn jonge leerlingen heb opgemerkt. Maar daarmee zou met de jonge beeldende kunstenaars de slechtste dienst bewijzen die men denken kan. Men zou hun een van de krachtigste voedingstoffen voor een latere bloei in zijn kunstenaarschap ontnemen, want hoe en van welke zijde men het figuurtekenen aanvat, als expressie, als beweging, als aftasten van het oppervlak of in zijn constructieve bouw, het eist alles, talent, doorzettingsvermogen, zelfdiscipline en zelfkritiek. Men kan niet foezelen, niet truqueren, het figuurtekenen is hard als staal en genadeloos. Het is voor een jonge geest een leerschool van onschatbare waarde.
Het is mijn vaste overtuiging dat wij de jonge kunstenaar nooit de benefice van een indringende en grondige studie van de menselijke figuur mogen ontnemen. Ik hoop dat mijn cri de coeur, mijn alarmkreet door U zal worden gezien als een waarschuwing. Het wil niet meer zijn. Als men doorgaat de onkunde te loven en elke vorm van kunde te bespotten, verwordt onze hedendaagse kunst tot wat ze nu al is, een hopeloos dilettantisme. Ik vraag U, neen ik bezweer U – de jeugd tenminste in dit ene punt te blijven geven waar ze recht op heeft, een basis voor hun ontwikkeling als beeldend kunstenaar, een grondslag, gevormd door hard werken en genadeloze zelfkritiek. En laat ons dan de uitkomst met vertrouwen en zonder ons ermee te willen bemoeien, aan henzelf overlaten.