De Stichting Sierk Schröder is de auteursrechthebbende op alle kunstwerken van Sierk Schröder

Home | Biografie | Lezingen

Lezingen / betogen / interviews
 

Sierk Schröder (1903-2002)

Lezingen / betogen / interviews

SIERK SCHRÖDER over: Tekeningen, studies en schetsen, door hem geschreven ter gelegenheid van zijn tentoonstelling in raadhuis ‘De Paauw’, Wassenaar, van 7 april t/m 10 mei 1992

Nothing differentiates the human being more sharply from the rest of organic life than the disire and ability to draw”. (James Laver)

 De behoefte en het vermogen om te tekenen is diep verankerd in de menselijke geest. Het kind begint al heel jong vader en moeder, de zon, de bomen en de dingen om hem heen in enkele, dikwijls uiterst expressieve lijnen, uit te beelden. In alle culturen, bij alle volkeren is getekend: met een scherp voorwerp werd gegraveerd in hout of steen. De prehistorische mens wist met magische kracht zijn wereld van jacht en strijd op rotswanden vast te leggen. In China ontstonden de natuurdoorleefde penseeltekeningen, in het Westen de prachtige tekeningen op perkament.

 Als we in de geschiedenis terugblikken zien we dat in verschillende tijdsperioden ook verschillende materialen de voorkeur hadden. Ik denk aan zilverstift, aan de ganzenveer, aan het gebruik van grafiet dat later, vermengd met een bepaald soort leem, het potlood werd.
De meesters van de Italiaanse Renaissance hadden een grote voorliefde voor zwart en rood krijt (“sanguine”) waarbij het gebruik van dit laatste medium in Frankrijk, door Watteau, tot een uiterst raffinement werd opgevoerd.
  Onuitputtelijk zijn de mogelijkheden van materiaalgebruik bij het tekenen. Elk medium kan afzonderlijk gebruikt worden of in een oneindig aantal variaties worden gecombineerd. Het gemakkelijk te verwerven en te verwerken materiaal werkt de directe en spontane weergave van een visie in de hand. Een balpen en een bloknootje zijn al voldoende om een idee of een vluchtige waarneming door een schets beeldend over te dragen.

  Tekenen is voor ons zo iets “gewoons” geworden, dat we er niet bij stilstaan hoe verwonderlijk dit fenomeen eigenlijk is, welk een “tour de force” het menselijk denken verricht bij het creëren en waarnemen van een derde dimensie op een plat vlak. De illusie van drie dimensies is zo vanzelfsprekend geworden in onze Westerse Kunst, dat er een Mondriaan nodig was om ons te doen beseffen dat er geschilderd en getekend wordt op een plat vlak.
  En dan het simpele gebruik van de lijn! De lijn die in de realiteit niet eens voorkomt, maar waarmee men toch zoveel kan suggereren.
Wat deed Modigliani niet met één lijn? Om Ingres niet te vergeten of de tekenaars van de Griekse vazen, die met één onderbroken lijn de gecompliceerde vorm van het menselijk lichaam volmaakt en anatomisch verantwoord weergaven.

 Tekenen is zien met de hand. Oog en oog vormen één geheel. Visie wordt omgezet in beeldende taal. Hoe geoefender de hand, hoe hechter die eenheid is, des te beter wordt deze vormtaal door de beschouwer verstaan. Want tekenen is niet alleen het maken van een tekening. Het zien -- het beschouwen - - is even belangrijk. Spreken en verstaan is het wezen van onze taal, zo is het ook met de taal van de vormen. Het zien van tekeningen is het sluitstuk van het proces:
visie -- uitvoering en beschouwing.