De Stichting Sierk Schröder is de auteursrechthebbende op alle kunstwerken van Sierk Schröder

Home | Biografie | Biografische gegevens Sierk Schröder

Uitgebreide biografie Sierk Schröder

Sierk Schröder (1903-2002)

Biografische gegevens

1903-1919
Sierk Carl Schröder wordt op 06 april 1903 te Ambon geboren, als zoon van een zendeling. Hij groeit op in een gezin met belangstelling voor Religie en Filosofie, maar niet voor de Beeldende Kunst.
In 1909 verhuist het gezin Schröder naar Rotterdam, waar Sierk's vader directeur wordt van een Zendingshuis.

Op de lagere school blijkt al spoedig het talent voor tekenen. Toen Sierk het portret van een schoolvriendje zag, geschilderd door Jan Veth, maakte dat een onuitwisbare indruk op hem.

In 1915 verhuist het gezin naar Utrecht, waar Sierk de H.B.S. bezoekt. Hij raakt steeds meer in de ban van het tekenen.

Van 1919 tot 1922 volgt Sierk de Koloniale Landbouwschool te Deventer. Maar het idee planter te worden vervaagt. Daarentegen nemen tekenen en schilderen een steeds belangrijkere plaats in. Hij richt, op een zolderkamer, zelfs een atelier in en krijgt al spoedig de eerste opdracht een portret te tekenen (in ruil voor een doos sigaren).

In 1922 gaat Sierk naar de Haagse Academie van Beeldende Kunsten. Door zijn uitzonderlijk talent wordt hij direct geplaatst in de derde leerjaar (van vijf leerjaren in totaal). Een geheel nieuwe wereld gaat voor hem open. Naast de tekenlessen uitsluitend naar gipsmodellen, grijpt Sierk de gelegenheid aan om afzonderlijke lessen te volgen in modeltekenen (naar levend model). Deze lessen worden in de avonduren gegeven door Henk Meyer, een buitengewoon knap tekenaar, zeer kritisch, hard, maar integer, zoals Sierk hem omschrijft. Sierk beschouwt hem als zijn ideale leermeester voor het figuur. In 1925 studeert hij af.

1925-1926
Na zijn afstuderen vertrekt Sierk naar Parijs met 250 gulden op zak, verdiend met een wandschildering voor een Dansinstituut (De Kruijf) te Breda. Hier beleeft hij een zeer belangrijke periode in zijn leven door lessen te volgen in het atelier van André Lhote, een bijzondere leermeester, een theoreticus: goed in passages, contrasten van licht en donker, sterk in opbouw en compositie in wiskundige vormen, zoals Sierk beschrijft. Al gauw wordt Sierk's voorsprong op het gebied van figuurtekenen, dank zij Henk Meyer, opgemerkt. Daardoor krijgt hij een zekere status binnen de groep leerlingen.

In Parijs raakt Sierk bevriend met de schilders Frits Klein en Jos Croin. Met o.a. Matthieu Wiegman tekent Sierk, in de avonduren, model in de Académie de la Grande Chaumière. In de Rotonde kijkt hij naar werk van onder anderen Foujita en van Dongen. Maar ook ziet hij de eerste expositie van de avant-garde, de ultra modernen: schilderijen van gescheurd krantenpapier en prikkeldraad met dadaistische leuzen.
Sierk is niet onder de indruk. Dat is hij wel in het Louvre, waar hij veel komt en de oude meesters bestudeert. Voor hem staat dan vast, dat hij zal bereiken wat de oude meesters konden.

Door bittere armoede (zijn vader had niet de middelen hem te ondersteunen) is Sierk genoodzaakt af en toe wat bij te verdienen door te illustreren. Hij doet dat voor Uitgeverij Callenbach, zoals hij dat ook al deed gedurende het laatste jaar op de Academie.

In het voorjaar van 1926 keert Sierk, verzwakt en sterk ondervoed, terug uit Parijs. Zijn vader was in Nederlands-Indië gestorven en de Militaire Dienstplicht moest worden vervuld. Echter, komt hij terecht in het Militair Hospitaal, waar de aan pleuritis lijdende Sierk verpleegd wordt. Na genezing wordt hij uit de Dienst ontslagen en gaat hij naar Zwitserland om aan te sterken. Ook maakt hij een korte studiereis naar Florence.

1926-1929 zijn de jaren van de Koninklijke Subsidie.
Terug in Nederland woont Sierk enige tijd samen met zijn moeder, die na het overlijden van zijn vader, uit Indië was teruggekeerd naar Den Haag. In deze stad betrekt hij het oude atelier van Han van Meegeren. Daar maakt hij de werken, die hij drie achtereenvolgende jaren met succes inzendt voor het ontvangen van de Koninklijke Subsidie.

Begin jaren 30 wordt Sierk lid van de Haagsche Kunstkring. Er ontstaan contacten en vriendschappen met onder anderen Ben van Eysselsteijn, Eduard Veterman, Chris de Moor en Willem van Konijnenburg.

In 1932 krijgt Sierk zijn eerste expositie bij de gerenommeerde kunsthandel d'Audretsch te Den Haag (Kring om Bremmer - H.P. Bremmer, een invloedrijke kunstcriticus). Er verschijnen lovende kritieken in de Pers (o.a. in het N.R.C., Algemeen Handelsblad) van Hammacher en Elias. Die zijn er ook in 1936 als Sierk opnieuw exposeert bij d' Audretsch. Er volgen meer portretopdrachten en er is veel illustratie-werk.

1934-1939
In 1934 trouwt Sierk met Maria Johanna (Mieke) Ottevanger. Enkele jaren woont het paar te Den Haag om in 1937 te verhuizen naar een rietgedekt landhuis aan de Papeweg te Wassenaar, met uitzicht over de Horsten. Sierk en Mieke krijgen vijf kinderen: Rosemarie, Liesbeth, Maarten, Maria en Ruth.

In 1935 ontvangt Sierk de Thérèse van Duijl-Schwartzeprijs.
Er volgen steeds meer portretopdrachten, waardoor Sierk, voor zijn inkomen, steeds minder afhankelijk wordt van het illustreren.

1940-1944
Ondanks de oorlog zijn er veel portretopdrachten, vooral voor kinderportretten. Maar er volgen ook de nodige opdrachten voor het schilderen van de portretten van industriëlen en professoren.

Tegen het einde van de oorlog sluit Sierk zich aan bij de 'Paauwhof', toen een centrum van beeldende kunstenaars, schrijvers en musici, zoals Anthony Donker, Jacques Bloem en Sem Dresden (componist). Met verschillende schilders, die tot de groep behoren, raakt Sierk bevriend, zoals met Ru de Bruyn Ouboter, Ina Hooft en vooral met Frédéric Reitman, met wie hij studeerde aan de Academie.
Over Reitman schrijft Sierk in notities over zijn kunstenaarsbestaan: hij was een bijzonder knappe figuurtekenaar. Ik heb veel van hem geleerd.

Verder schrijft Sierk:
mijn palet was in die jaren heel donker. Ik was erop uit, door het effect van licht en donker, de lichtkracht te bereiken van de portretten van de oude meesters. Ik copieerde in het Mauritshuis Memling en Terborgh (1944).

Steeds meer raakte ik overtuigd van de waarde van het alla prima schilderen. Hals, van Dyck, Rubens, allen 'snelle schilders', duidelijk te zien in de penseelstreek. Ik moest mij ontworstelen aan de algemeen geldende, op de Academie, onderwezen methode van: eerst een tekening maken, die overzetten ('doorsponsen') op doek, dan dun overschilderen en voorzichtig invullen en uiteindelijk afschilderen. Een methode die gebaseerd is op angst van niet te kunnen, op verbeteren van fouten in plaats van het ineens goed te doen. Maar om het ineens goed te kunnen doen, moet je ook goed kunnen tekenen: 'to draw or not to draw'. Deze methode heb ik kunnen staven in de eigen copieën en later in werken van Velasquez in het Prado. Het bleef een strijdpunt, vooral met mijn collega Röling toen ik later in Amsterdam doceerde in portret- en figuurschilderen.

1945-1947
In 1945 wordt Sierk uitgenodigd lid te worden van het Schilderkundig Genootschap Pulchri Studio, Den Haag. De vele contacten, die hij door zijn lidmaatschap opdoet zijn voor hem een stimulans.
Ook wordt hij lid van Ars Aemula te Leiden.

Benauwend, echter, is dat Sierk wordt overstelpt door portretopdrachten,waardoor er geen tijd meer is om vrij te werken. Het is daarom voor Sierk een hele opluchting als zijn goede vriend Jacques Schreuder met een oplossing komt. Deze stelt Sierk in de gelegenheid gedurende drie jaar steeds drie maanden per jaar geheel vrij te kunnen werken. Schreuder financiert deze vrije tijd door een vast bedrag per maand. Als tegenprestatie mag hij enkele werken uitkiezen, door Sierk gemaakt tijdens de vrije periode.

Sierk gaat ook weer reizen. Hij schrijft daarover: in die jaren was de belangrijkste gebeurtenis een reis naar Parijs, waar ik in de Orangerie een expositie zag van de Impressionisten. Overweldigende indruk wat kleur betreft. Teruggekomen zag ik mijn eigen werk in een kleine expositie die ik toen in Amsterdam had. Ik zag hoe modderig en vuil mijn kleuren waren en schrok. Een ommekeer in 'zien'.
Ben, om tot beter kleurgebruik te komen, toen overgegaan op pastel. Bij pastel moet men 'kiezen', kan men niet 'mengen'. Schaduwen donker maken door er een donkere kleur doorheen te wrijven, is niet mogelijk. Het donker moet men verkrijgen door kleur, door het naast elkaar zetten van kleur, men moet vorm leren zien in kleur.

1949-1951
Er volgen tentoonstellingen, in 'Kunstliefde', Utrecht, met Paul Citroen (met wie een langdurige vriendschap ontstaat, die altijd levendig blijft door tegengestelde opvattingen, noteert Sierk) en in Arti et Amicitiae Amsterdam.

In 1950 gaat Sierk een week of zes werken in het atelier van Lucien Fontanarosa. Deze schilder behoorde min of meer tot de groep van het Réalisme Poétique met schilders als Brianchon en Oudet. Over hen schrijft Sierk: ik was zeer onder de indruk van beide schilders. In het Boymans museum hing een prachtig vrouwenportret van Brianchon. Ontegenzeggelijk heeft het werk van deze groep, ook van Fontanarosa, in die periode grote invloed op mijn werk gehad.

In 1950 ontvangt Sierk de Jacob Maris-materiaalprijs en in 1952 de Jacob Hartogprijs met een portret van de kunstcriticus Cornelis Veth.

In 1953 reist Sierk naar Spanje: Prado Museum, Velasquez, Madrid, Goya. In Toledo maakt hij veel tekeningen.

Na 1953 volgen zeer regelmatig exposities o.a. in de grote zalen van het Schilderkundig Genootschap Pulchri Studio, geopend door Dr Nico Vroom (1953), in het Arnhems Gemeentemuseum (1954), in museum 'De Lakenhal', Leiden (1959), in het Gemeentemuseum Den Haag, eerst met tekeningen (1957) en later met olieverfportretten (dec.1963/jan.1964), in Singer Museum Laren (1960), in Kasteel Hoensbroek (1964), geopend door Mr Drs L.J.F. Wijsenbeek (directeur van het Haags Gemeentemuseum) , een reeks van exposities in Parijs, waarvan de eerste tentoonstelling bij Galerie Arts-Sélection (1965) werd geopend door Frits Lugt (président de l'Institut Néerlandais de Paris).

1960-1968
In 1960 wordt Sierk Schröder benoemd tot hoogleraar in de vrije schilderkunst aan de Rijksacademie van Beeldende Kunsten te Amsterdam. Dat zou hij tot 1968 blijven, het jaar waarin hij 65 jaar wordt.
Hij ervaart het professoraat als een beproeving. Studenten zijn niet of nauwelijks geïnteresseerd om lessen te volgen, kenmerkend voor een veranderende samenleving, waarin geen oog meer is voor de traditie en waarin opstand tegen het gezag nog al eens aan de orde van de dag is (het Maagdenhuis).

Nadat Sierk meer dan 25 jaar werkte in zijn atelier in het bos rond het Johannahuis, Schouwweg 76, Wassenaar, betrekt hij in 1968 een atelier in Den Haag, op de hoek Buitenhof-Passage, boven het van oudsher bekende café 'Riche'. Dit atelier met interessante ruimten en een goede lichtinval inspireert hem tot het maken van veel werk, waarin de menselijke figuur centraal staat. Het maken van vrij werk gebeurt ondanks de vele portretopdrachten, die maar blijven komen.
In 1971, in zijn atelier, ontdekt Sierk, door toeval, een nieuwe techniek. Het betreft pastel op ongeprepareerd linnen, een techniek, die hij op latere leeftijd verder zou ontwikkelen.

In 1971 exposeert Sierk, samen met Paul Citroen, in het Rheinische Landesmuseum te Bonn, waarna de tentoonstelling verhuist naar 'der Schanze' in Münster.

Vanaf 1973 werkt Sierk in zijn ruime en lichte atelier in de Korte Houtstraat, Den Haag. Hij aanvaardt minder opdrachten en gaat steeds meer vrij werk maken. Ook maakt hij verschillende werk- en vakantiereizen, zoals naar Kreta (2x), Vaison La Romaine, Provence (3x), Mallorca en Korfu. Tijdens die reizen ontstaan veel landschappen en boomstudies, meestal in aquarel.

Als Sierk 84 jaar is (1987) geeft hij het atelier in de Korte Houtstraat op. Inmiddels is door een ingrijpende verbouwing een ruim en atelier ontstaan in zijn landhuis te Wassenaar. Hier maakt hij meer studies naar de natuur: planten, dieren, bloesems en vruchten. Maar ook blijft het model belangrijk.

Als Sierk terugblikt (zo noteert hij), dan beschouwt hij de tijd na zijn hoogleraarschap, dus na 1968, als de vruchtbaarste periode van zijn kunstenaarsbestaan. Hij voelt zich dan minder gebonden portretopdrachten te aanvaarden, waardoor meer tijd beschikbaar komt voor het maken van vrij werk.

Sierk ervaart de steeds groeiende belangstelling voor zijn werk. Er zijn veel exposities en zijn vrije werk is erg gewild en tijdens verkooptentoonstellingen binnen de kortste tijd uitverkocht. Er ontstaan collecties. Het werk gaat een eigen leven leiden (een vreemde ervaring!), is een notitie van Sierk. In 1986 zendt de NOS-TV (in het programma 'Markant') de documentaire Sierk Schröder schilder tekenaar uit, een interview door Dr. Antoine Bodar.

In 1988 ontvangt Sierk de Jacob Hartog Oeuvreprijs en de Cultuurprijs van de Gemeente Wassenaar.

Op 13 september 1990 wordt Sierk, als prominent portrettist van zijn generatie, in 'De Lakenhal' te Leiden het dan verschenen boek over Nederlandse portretten aangeboden. Het betreft Bijdragen over de portretkunst in de Nederlanden uit de 16de, 17de en 18de eeuw en is uitgegeven door de Stichting Leids Kunsthistorisch Jaarboek (Prentenkabinet/Kunsthistorisch Instituut van de Rijksuniversiteit te Leiden).

Vanaf de jaren tachtig maakt Sierk een gestadige herwaardering voor de tradities in de Beeldende kunst mee. Jonge veelbelovende schilders benaderen hem voor adviezen en daar staat hij, ondanks zijn hoge leeftijd, graag voor open.

Zijn overzichtstentoonstelling in de grote zalen van Slot Zeist, december 1992, januari 1993, geopend door Prof J.N van Wessem, ontroert tienduizenden bezoekers.
En Museum De Wieger, Deurne, belicht in 1994 de tekeningen, studies en schetsen. Ter gelegenheid van deze expositie verschijnt het boek Sierk Schröder tekeningen studies en schetsen, ingeleid door Rob Smolders.

Eerder waren er overzichtstentoonstellingen onder andere in de zalen van het Schilderkundig Genootschap Pulchri Studio, Den Haag (1978, 1983 en 1988), in Park Plaza, Amsterdam, in het Gemeentemuseum te Maassluis (1986) in het Tongerlohuys te Roosendaal (1990), in het gebouw van de Faculty Club, georganiseerd door de Katholieke Universiteit Leuven (1989) en in Raadhuis 'De Paauw' te Wassenaar (1990).

In 2000 volgt een grote overzichtstentoonstelling in de drie zalen van het Schilderkundig Genootschap Pulchri Studio, ingeleid door Theo Laurentius, geopend door Drs P.H. Schoute, Burgemeester van Wassenaar, in aanwezigheid van HM Koningin Beatrix.

Reeds de negentigste verjaardag gepasseerd, maakt Sierk veel zelfportretten, in houtskool en krijt, soms met een tikje humor, zoals Sierk als 'Oude Meester' of als Bellini.

In de nacht van 27 op 28 juli 2000 zien inbrekers kans een aantal werken van Sierk Schröder uit zijn woning te ontvreemden. Daaronder bevinden zich het babyportretje ,in olieverf, van dochter Ruth met de oogjes dicht en de intieme potloodtekeningen, die Sierk maakte van zijn dierbare moeder op haar sterfbed.

Op 26 januari 2002 sterft Sierk Schröder, na een kort ziekbed, in zijn landhuis te Wassenaar, bijna 99 jaar oud.

Vrijwel onmiddellijk na zijn overlijden verstuurt de Universiteit Utrecht een Persbericht om aan te kondigen, dat - als Eerbetoon aan Sierk Schröder - de door hem geschilderde Professorenportretten permanent te zien zijn in het Academiegebouw, in de naar de kunstenaar vernoemde 'Sierk Schröderkamer'.

Ter gelegenheid van Sierk Schröder's honderdste geboortedag opent Dr. Antoine Bodar op 05 april 2003 in Museum 'De Buitenplaats' te Eelde een bijzondere overzichtstentoonstelling. Door de TROS-TV wordt op 6 april de documentaire Sierk Schröder Een portret ten voeten uit uitgezonden, een uitzending die later in het jaar wordt herhaald.

voor biografie/inleiding: klik hier
voor bijzonderheden: klik hier
- portretopdrachten
- boek illustraties
- ontwerpen voor postzegels
- literatuur en publicaties
- televisie, documentaires, Radio
- onderscheidingen/prijzen
- documentatiemateriaal
voor overzicht tentoonstellingen (vanaf 1932) : klik hier