De Stichting Sierk Schröder is de auteursrechthebbende op alle kunstwerken van Sierk Schröder

Home | Biografie | Lezingen

Lezingen / betogen / interviews
 

Sierk Schröder (1903-2002)

Lezingen / betogen / interviews

Opening expositie van werken van Sierk Schröder in Galerie Broekhoven, Amsterdam, op 13 maart 1982, door Gerlof N. Zijlstra

Dames en heren,
Als man, die óók veel te doen heeft met podium-activiteiten van velerlei aard, en daarbij tot zijn vreugde of tot zijn teleurstelling ieder seizoen wéér mag of moet ervaren en constateren dat de aspecten van het door hem gekozen repertoire aan zijn verwachtingen voldoen, dan wel geenszins met zijn smaak overeenstemmen, als zo'n man dus sta ik voor u, althans zo voel ik dat min of meer aan.
Ik moet vrezen in de eerste plaats dat hetgeen ik u hedenmiddag omtrent mijn vriend Sierk Schröder ga vertellen door anderen al vaker, en ongetwijfeld beter, is gezegd en in de tweede plaats dat mijn korte verhaal geen enkele luister zal bijdragen aan het oeuvre dat Sierk vanaf vandaag, gedurende enige weken in deze eminente galerie heeft willen presenteren.
Waarmede ik mag concluderen dat mijn optreden, zou dit plaats hebben gevonden in mijn theater of in centrum De Vaart, als een van de minder geslaagde evenementen zou worden gekenmerkt.
Er is evenwel één verontschuldiging voor mijn solistische activiteit: Sierk heeft mij daartoe geïnspireerd toen ik enkele weken geleden zijn atelier bezocht; hij deed dat op de aimabele wijze die hem eigen is, maar deed dat ook zó onweerstaanbaar dat het cabaretliedje '"Vluchten kan niet meer" op mij van toepassing kan worden verklaard.

Moeten vanmiddag de vragen worden gesteld: Wie is de beeldende kunstenaar Sierk Schröder, wat is de aard van het oeuvre van deze, in Wassenaar wonende vertolker van zóveel schonen zaken, een mensenleeftijd lang?
Mij dunkt dat de vele, vele recensies, spreekbeurten, inleidingen tezamen met de belangrijke publicaties van prof. J.N. van Wessem in 1966 en Anna Wagner in 1978, aan Sierk en zijn kunst gewijd, een aanvaardbaar beeld geven van zijn betekenis voor het welzijn van de Nederlandse schilderkunst in deze eeuw.
Uiteraard heb ik over deze betekenis mijn uitgesproken mening, en ik hoop u die aanstonds diets te kunnen maken in een, bent u niet bevreesd, niet té lange inleiding.

Tevoren moet ik u een confidentie doen teneinde mijn relaas tóch een inhoud te geven, die afwijkt van een gangbare.

Ik gewaagde van mijn bezoek aan Sierk, niet lang geleden.
Korte tijd daarna was ik er andermaal, ditmaal niet alléén om zijn aquarellen en olieverven te zien, maar óók om te worden geportretteerd.
Dat geluk was mij eerder beschoren - geluk verwekt door een Amsterdamse schilder - en ook deze maal, ouder van jaren geworden, mocht ik op zeer persoonlijke, indringende - als u wilt : ontroerende - wijze ervaren hoezeer je kennis, of vermeende kennis over een kunstenaar en zijn arbeidzaamheid toeneemt, of beter gezegd zich verdiept langs de weg van een confrontatie onder het motto "de schilder en zijn model".

U moet zich voorstellen: het fraaie atelier van Schröder in het hart van Den Haag, waar het licht getemperd of uitbundig door de vensters binnentreedt, naar de aard van het wisselvallige weer, waar de meester je plaats doet nemen op een zetel en je, met behulp van spiegels, gaat observeren, daarna vertalen op het linnen. Je ondergaat dan, in navolgende stadia, de enorme spanningen waarmee de kunstenaar te maken krijgt en waarvan hij je deelgenoot maakt.
Die spanningen, die zich ontlaadden in een dialoog tussen Sierk en mij kan, nog beter, wil ik niet verwoorden. Ik beschouw dat tweegesprek bijna als een artistieke biecht van de kunstenaar, afgewisseld met wat bleek proza van de posant.
Wel wil ik kwijt dat ik in deze luttele uren als model bevestigd heb gekregen datgene, waarvan ik al tientallen jaren overtuigd was geraakt : Sierk is een begeesterd kunstenaar, wiens begeestering wordt gevoed door twijfels en vreugde, een mens die zijn onderwerpen als zijn menselijk model, stilleven, natuur, met eruditie benadert en beschouwt en met dezelfde eruditie verbeeldt op papier of lijnwaad, in een fijnzinnig, want door hand en geest bewogen handschrift.

Géén informatie dus over het kunstzinnige gebeuren in het atelier, wél een beknopte bloemlezing van de gedachtewisseling tussen Sierk en mij vóór en ná het portretteren, een gedachtewisseling die de oprechte kunstzinnige aard van de schilder op zéér menselijke wijze onderstreept, een uitwisseling van gedachten ook die wat mij betreft is ingegeven door - ik citeer Vondel - "wat me op 's herten grond leit, dat welt me maar de keel"; wat eigentijdser gezegd mag ik dat misschien zo vertalen: van mijn zijde wat het gesprek goeddeels ingegeven door mijn begeerte te willen weten hoe de kunstenaar, die vanmiddag het object is van onze belangstelling, ondanks het onafwendbare klimmen der jaren een zo onmiskenbaar hoog artistiek niveau in zijn handschrift vermag te bestendigen.

Wat ik nu ga zeggen is hetgeen ik - onder andere - optekende uit de mond van Sierk, naar aanleiding van mijn vragen.
Er is een periode geweest, na het beëindigen van mijn hoogleraarschap aan de rijksakademie in Amsterdam, dat ik mij toelegde op de verbeelding van het landschap.
Ik zwierf door de Provence, maar ook dichterbij in Katwijk maakte ik talrijke bladen van die altoos veranderende zee, met dat wisselende licht op het bewegende water.
Die natuurbeleving gaf mij een enorme stoot, ik voelde het als een soort doorbraak, een vernieuwing. Ook al ben je al jaren en jaren als schilder doende, steeds weer rijpt het besef - en dat is een langzame rijping - dat je de materie gaat beheersen.
Die beheersing wordt gevoed door een geweldige discipline: om 9 uur op het atelier, onafgebroken tot 6 uur 's middags, en al die tijd doende zijn met het metier, altijd bezig met de grote opdracht : het leven, de dingen, de omgeving tot één grote eenheid te ordenen.
Naar mijn inzicht en overtuiging berust het resultaat van al je inspanningen, de vertolkingen van je inspiratie op je eigen, harde discipline. In je werk moet je systemen hebben, moet je streven naar een volmaaktheid, moet je pogen een eenheid te scheppen, in vorm en coloriet.
Na mijn natuur-observeringen ben ik teruggekeerd naar mijn oude liefde, de figuur, het kleden van de naakten met het licht, van mijn palet.
Na mijn laatste vakantie is er bepaald sprake van een renaissance. Ik heb steeds beseft hoe belangrijk het licht is in het atelier.
Het speelt als het ware over het model, het inspireert, het brengt nieuwe mogelijkheden.
Merkwaardig is misschien dat het model mij niet inspireert een olieverf of aquarel af te maken op hetzelfde moment van confrontatie; ik maak het werk af als het model is vertrokken.
Ik zou het zo willen verklaren: de natuur kan je gaan hinderen, je tilt dan als het ware over het onderwerp heen.

Zo sprak op een grijze, norse ochtend eind februari van dit jaar Sierk Schröder en hij zei nog veel meer, alles het noteren en onthouden waard, woorden en woorden om in het hart te koesteren.

Ik keer van de Haagse sferen terug naar galerie Broekhoven waar kan worden ervaren wat de kunstenaar heeft bedoeld met zijn zoeven vertolkte gedachten.

Ik besef zeer wel dat ik in dit deskundige gehoor niet de aandacht behoef te vestigen op speciale facetten van deze tentoonstelling.
Laat ik daarom veinzen te spreken tot iemand die mij dierbaar is, wiens of wier interesse ik wakker roep voor de acht figuurstudies, in zeer groot formaat, in de allerlaatste tijd ontstaan.
Ik meen dat hier een bijzondere bewondering past voor de voorname, gepassioneerde wijze waarop de kunstenaar het naakt verstild en toch vol beweging heeft gestreeld met zijn ingetogen kleuren, heeft omhuld met het licht dat door de hoge vensters een oprecht welkom in het atelier is toegeroepen.
Van Wessem zei het zo: de modelstudies tonen een grote en zeldzaam geworden beheersing van de bouw van het menselijk lichaam, zij zijn geboren uit de behoefte het motief te verkennen en zijn geheimen te achterhalen, zij zijn een zuivere weergave van het geziene, tevens gestalte van een stemming.

Laat ik dat veinzen nog even volhouden en u attent maken op een landschap met een kloostercomplex dat mij - ik kan niet verklaren waarom - deed denken aan Hercules Seghers toen ik het deze week hier aantrof, attent maken ook op de prachtige kreeften en vissen, op zeegezichten, hier overhuifd door regenzwangere wolken, daar gevangen door een oplichtend, jagend zwerk.

Wat een prachtige aquarel ook, dat liggend naakt met spiegel dat ik beneden aantrof, waarop het licht zo subtiel, bijna omzichtig rond de naakte schouders van het model speelt; en wat te denken van de twee zusjes, in hun lezende verzonkenheid.

Maar dames en heren, er is meer te zien op deze tentoonstelling, u hebt dat zelf natuurlijk al geruime tijd onderkend.

Ik besef dat ik u gaandeweg de kans moet geven rond te gaan op de hellingen van de Parnassus, in deze speeltuin der muzen aan de Keizersgracht, om de bellettrie van Sierk Schröder te gaan lezen.

Ik keer nog héél even terug naar het atelier, waar ik geduldig en naar de zin van de schilder poseerde. Vóór hij het gespannen linnen met zijn penseel beroerde toonde hij mij het palet met de vele kleuren. Hij zei "Gerlof aan deze zijde groepeer ik de warme kleuren, daar brandt het, daar is de zon; en hier zijn de koele kleuren, hier is het ijs.

Ik ben ervan overtuigd dat u deze expositie, met zoveel zorg en toewijding ingericht, uitsluitend zult worden geraakt door de warme zijde van het palet van Sierk Schröder, mijn vriend.

Uit het archief van de Stichting Sierk Schröder