De Stichting Sierk Schröder is de auteursrechthebbende op alle kunstwerken van Sierk Schröder

Home | Biografie | Lezingen

Lezingen / betogen / interviews
 

Sierk Schröder (1903-2002)

Lezingen / betogen / interviews

Inleiding voor de tentoonstelling in Groningen bij J.B. Wolters in Mei 1954, door Mr. Jacques Schreuder.

Dames en Heren,

      Het verheugt de Directie van J.B. Wolters zeer, dat U in zo grote getale gevolg hebt gegeven aan ons verzoek, de opening van deze tentoonstelling van het werk van Sierk Schröder bij te wonen. Wat ons echter zeer spijt is de omstandigheid dat de schilder zelf in Stockholm zit en dus niet aanwezig kan zijn. Een pleister op deze wonde wordt echter met zachte hand gelegd door Uw aanwezigheid, Mevrouw Schröder.

       Het is geen alledaagse gebeurtenis wanneer van het werk van een onzer beste schilders een overzicht wordt gegeven, waaruit zijn ontwikkeling als schilder kan worden afgelezen. Vooral wanneer het een zo vruchtbaar kunstenaar als Sierk Schröder betreft, beperkt een tentoonstelling zich gemakkelijk tot het werk uit de laatste jaren. Het andere werk is her en der verspreid en moeilijk te traceren. Ook werkt beperkend de neiging, die ieder strevend kunstenaar vertoont, om het meest recente werk als beter te beschouwen dan zijn vroegere oeuvre. Deze beide invloeden zijn ook hier niet geheel uitgeschakeld geweest, zodat U relatief meer werk uit de jaren '53 en '54 zult aantreffen dan uit vroegere perioden.

      Toch mag ik nog spreken van een overzichtstentoonstelling omdat, dank zij de vriendelijke medewerking der eigenaren, dát vroegere werk is bijeengebracht, dat als representatief kan gelden en door de schilder zelf ook als representatief wordt beschouwd.
Doordat Sierk Schröder gedurende zijn hele schildersloopbaan door vriendschapsbanden aan ons verbonden is geweest, die gegroeid zijn uit de zakelijke relatie, waarin hij als illustrator tot ons heeft gestaan, hebben we zijn ontwikkeling van nabij kunnen volgen. De wederzijdse waardering en vriendschap gaf aanleiding tot talloze vertrouwelijke gesprekken en tot een briefwisseling, waarin de strijd, die hij als schilder heeft te voeren om zijn ideaal te benaderen weerspiegeld wordt. Dit zijn dan ook de bronnen, waaruit ik kan en wil putten om U zijn werk nader te brengen.

      Schröder is de zoon van een zendeling, die zijn leven wijdde aan de verbreiding van het Evangelie in het voormalige Nederlandsch-Indië. Zijn ouders zagen zijn toekomst geheel anders en zonden hem naar de Koloniale Landbouwschool in Deventer, omdat zij hem een carrière toewensten in het land dat zij zó lief hadden gekregen, dat zij er zelf hun leven aan hebben gewijd. Zijn vader was een groot kenner van sommige inheemse talen en heeft vele psalmen en gezangen vertaald en daardoor voor deze volken toegankelijk gemaakt.

      Hij is de hem aangewezen weg opgegaan, maar bemerkte al spoedig dat dit zijn weg niet zijn kon. Een niet te onderdrukken behoefte om te tekenen stuurde hem in een richting, waarvan hij wist dat grote zorgen en strijd zijn deel zouden zijn. Op een leeftijd waarop anderen, die zich aan de kunst willen wijden, reeds een jarenlange leerschool hebben doorlopen, moest hij nog beginnen. Zijn jeugdjaren, ver van ieder centrum van kunst verwijderd, hadden hem geen grondslag meegegeven van oordeel des onderscheids op het terrein dat hij ging betreden. Hij wist ook dat hij, ook in zijn leerjaren, op eigen benen zou moeten staan, zijn vader kon hem niet onderhouden.

      Hij heeft deze sprong gewaagd en het is gelukt. Reeds spoedig kwam hij in contact met enkele uitgevers, die zijn talent onderkenden en hem illustratie-opdrachten gaven. Een werkdrift, als wel niet veel zal worden aangetroffen, beheerste hem. Honderden tekeningen, waaraan meestal de eis werd gesteld dat ze een zuivere weergave van de werkelijkheid waren, waarop duizenden details van personen en voorwerpen moesten staan, kwamen uit zijn handen. Een uitstekend geheugen voor de vorm, een consequent streven om steeds naar de natuur te tekenen en niet anderen of foto's na te tekenen, hebben hem in die moeilijke beginjaren het handwerk leren beheersen.

      Hij wist dat de Olympus een moeizaam te beklimmen berg is, ook voor hen die grote talenten hebben meegekregen. Hij heeft deze leerschool met inzet van al zijn krachten doorlopen en wijdde slechts enkele vrije ogenblikken tussen zijn tekenwerk aan schilderen.

      Van den beginne af heeft dit schilderen zich gericht op het portret. De oorzaak hiervan is m.i. gelegen in het feit dat hij een grote belangstelling heeft voor ieder die zijn weg kruist en een intuïtief psychologisch inzicht, van een diepte, die U hoogst zelden zult aantreffen. Zijn schilderstalent ziet de psyche van de mensen weerspiegeld in het gelaat en kan dit zó uitbeelden, dat zijn object open gaat staan. Het is geen zeldzaamheid wanneer een nauwe relatie van de geportretteerde tot tranen toe bewogen wordt bij het zien van het portret.

      Daar komt nog bij dat Schröder's open en rijpe persoonlijkheid spoedig een vertrouwelijk gesprek mogelijk maakt.

      Zijn vader, de predikende zendeling, zal zeker een grote liefde voor de mensen hebben bezeten en zijn moeder heeft dezelfde instelling. Hun beider levenstaak zou onmogelijk te vervullen zijn geweest, wanneer zij niet in de eerste plaats de mensen hebben willen en kunnen begrijpen, zonder daaraan dadelijk een oordeel of een veroordeling te verbinden. Hun zoon heeft deze eigenschap meegekregen, voor een portretschilder van eminente betekenis.

      Het is voor degeen, die wordt geschilderd, een belangrijke factor, in welke stemming hij tijdens deze operatie verkeert. Uit de aard der zaak is het object wat gespannen en wanneer nu de schilder een erudiet en levenswijs mens blijkt te zijn met een gaaf karakter, verdwijnt die spanning en laat hij zich kennen zoals hij is.

      Wanneer U straks deze schilderijen gaat bekijken, zult U in dit werk drie perioden kunnen onderscheiden.

      Tot 1945 ziet U een concentratie op de psyche van de persoon van zijn object, weerspiegeld vooral in het gelaat. Zijn portretten vertonen meestal een adembenemende gelijkenis en zijn, vooral in zijn kinderportretten, van een roerende tederheid.

      Dag in, dag uit is hij bezig. Hij werkt om den brode en niet alleen voor zijn eigen brood, maar ook voor dat van zijn vrouw en toenemend kindertal.

      In de eerste jaren na '35 zal zijn illustratiewerk wel zijn voornaamste bron van inkomsten hebben gevormd, maar dan neemt de stroom van schilderopdrachten gestadig toe. Hij acht het onverantwoord één opdracht af te slaan.

      De oorlogsjaren zijn nauwelijks een rem. Integendeel; om de honger op een afstand te houden, moet hij werken. Een van zijn beste kinderportretten ruilt hij in '44 voor een paar fietsbanden om de boer op te gaan om te foerageren. Bijna had hij het mooiste van de twee, vlak na de geboorte, met enkele uren tussenruimte, geschilderde babyportretjes van zijn dochtertje Ruth geruild bij een confectiekoning voor een paar jurkjes.

      De grootste hoogte in deze periode bereikte hij in het eigen vrije werk, het schilderen van zijn eigen kinderen, de modellen die hij zelf koos. De toppen vindt U hier verzameld, voor het eerst, en het lijkt mij niet waarschijnlijk dat het spoedig weer gebeuren zal.

      Vlak na de oorlog, midden '45, liep dit spaak. Bedolven onder opdrachten, die hij op geen stukken na meer kon uitvoeren, beseft hij nog net op tijd dat zijn ontwikkeling als kunstenaar werd verstikt, wanneer hij zich niet enkele maanden per jaar geheel aan eigen werk, experiment en zoeken van eigen wezen, zou kunnen wijden. In 1926 bracht François Mauriac dit beter onder woorden dan ik het kan, en schreef: "Le temps que l'artiste dépense à se chercher n'est pas perdu: cette recherche, c'est l'art même et chez les plus grands, rien ne l'interrompt que la mort".

      De maanden September, October, November en December '45 bevrijdde hij zich uit deze dwangbuis der opdrachten. In zijn brieven uit die tijd jubelt hij het dan ook uit:

"Wat een vreugde om naar eigen luimen te kunnen werken; iets willens en wetens te mogen verknoeien, omdat je één klein dingetje wilt nagaan". Of een maand later: "De stroom van opdrachten vloeit gestaag door en omgekeerd dus een stroom van beleefde briefjes met weigeringen. Plotseling zijn we in de adel verzeild geraakt. Een paar baronnen, een graaf en enkele freules schreven of waren bij de deur. Sierk zit zalig aan zijn eigen gebroed of aan een blote juffrouw te penselen of er geen vuiltje aan de lucht is. Wat een weelde. . . . . !"

      Waarvoor hij zich nooit de tijd heeft gegund, dat doet hij nu: hij gaat een paar oude meesters, een Memling en een Ter Borch, in het Mauritshuis copiëren. Aanleiding hiertoe was een meningsverschil met Dr. J. van Gelder, Directeur van dit Museum, die Sierk's positieve bewering, dat de grootsten snel schilderden, op technische gronden tegensprak. De beschrijving van deze ervaring mag ik U niet onthouden, te meer niet, omdat ik de kopie in kwestie voor deze gelegenheid heb meegebracht. Hij schrijft:

"Ik werk sinds enige tijd elke dag van 10-3 in het Mauritshuis. Mijn eerste copie was het mannenportret van Memling - voor mij een vreemde keus, zul je zeggen. Maar ik geloof een goede, omdat het me met één slag uit mijn eigen wereldje van: zoals ik gewoon ben te schilderen heeft gehaald. Die copie is zo geworden, dat ik Dr. van Gelder in mijn kamp gekregen heb, omdat hij met eigen ogen heeft kunnen zien, dat zo'n portret in een paar uur en geheel nat in nat te schilderen is. In dit - uiterlijk zo verstillende - rustige, evenwichtige schilderij voel je bij nadere beschouwing de geweldige spanning van een met razend tempo en volgens zeer bepaalde eenvoudige formules opgezette werkwijze. Het is zo goed gelukt, dit te benaderen, dat ik en verschillende mensen met mij overtuigd zijn, dat het zo geschilderd is en dat de plaatsen waar ik gefaald heb, niet te wijten zijn aan de wijze van werken, maar aan mijn zwakke kunnen tegenover een reus als Memling. Ik zou hierover willen schrijven, als ik niet zo het land had aan schrijvende schilders, want mijn geloof aan het tempo, aan het "in eens goed doen" en mijn argwaan tegenover het aanbrengen van correcties en het schilderen in lagen is door deze proef nu nog veel steviger gefundeerd. Je zoudt het moeten zien! Van heel dichtbij mist het de bezonkenheid van de tijd, maar op een kleine afstand al zou je zweren met een primitief te doen te hebben, en de heren van het Mauritshuis, de suppoosten incluis, hebben zo versteld gestaan van dit experiment, dus van het feit dat in enkele uren daar ineens een oude meester op het paneel verscheen, dat ik allerlei privilegiën kreeg toegestaan en in 't algemeen met de meest vriendelijke voorkomendheid behandeld word. O, techniek, wat zijt gij gevaarlijk en verleidelijk, dacht ik mij, toen ik met mijn pasgeverfde primitief mij een weg baande door een kring van bewonderende suppoosten en omstanders, en ik dacht ook aan de woorden van Goethe: "denn es ist doch nur der Geist, der jede Technik lebendig macht". Want immers, heel dit technisch probleem is er alleen maar, om te bewijzen, dat niet de techniek dit schilderij zo groots heeft gemaakt, maar alleen, enkel en alleen, de visie, de klaarheid van denken, de kracht van overtuiging van Memling. Meer dan ooit heb ik beseft, dat hoezeer je ook als schilder de taak hebt, je technisch tot het uiterste te bekwamen, dit vergeleken bij hetgeen je te zeggen hebt altijd het mindere blijft. Alleen, wat je te zeggen hebt, heb je niet in de hand; dat wordt bepaald door je leven, je karakter, je aanleg. Het is goed, voor jezelf bewezen te hebben, een Memling te kunnen maken, want het maakt je zeer bescheiden, en de vraag dringt zich dan ook op: waarom, vriendje, maak je dan geen gelijkwaardig schilderij uit onze tijd ? Is er soms iets mis met dat andere ? Ben je wel zo eerlijk, zo overtuigd, zo bezield, zo bezeten als die man ? Voor mij betekent dit experiment een aanval naar twee kanten. Een aanval op de beunhazen in ons vak, die te lui en te beroerd zijn de mogelijkheden te doorgronden van het handwerk, en een aanval op jezelf, op je eigen slapheid en halfheid, en wel verre van je te verhoovaardigen op de kundigheid van je hand, stemt zo'n proef je nederig t.a.v. de povere resultaten, die als Sierk Schröders de wereld in gaan!
Gelukkig maakte ik nog een serie naakttekeningen, die van deze drie maanden het beste zijn. Ik heb er een stuk of 10 gemaakt, het ging ineens; in bruin of rood krijt, en ze doen het voortreffelijk. Volgende week laat ik ze fotograferen en inlijsten, als er tenminste glas voor is. Ook dat zijn wel een beetje bravourstukjes, maar ze hebben veel meer van het glanzende van de huid en de soepelheid van een lichaam dan mijn schilderijen, en ik moet tot mijn spijt bekennen dat ik ze dan ook mooier vind".

      Deze vier laatste maanden van 1945 hebben hem een nieuwe vorm laten vinden voor zijn naaktstudies. Hij slaagde er in een zuivere plastische werking te bereiken, alleen door de wijze, waarop hij licht en schaduw in elkaar laat overgaan. Ook hiervan nam ik U de twee beste exemplaren mee, die ik naast de kopie van Memling in een verscholen hoekje liet ophangen.

      Het jaar 1946 deed zijn intrede met de noodzaak, de schoorsteen weer te laten roken. Tussen de opdrachten door maakte hij enkele van zijn beste portretten, die u hier aantreft: Ruth en face (no. 14) en Kari Luyt (no. 18), een pastel. Deze pasteltechniek bood hem meer gelegenheid dan de olieverf om de ervaringen toe te passen, waarmee de zoeven genoemde naaktstudies hem hadden verrijkt.

      Maar zijn penseel was losser geworden, ook in de schilderijen, die hij in opdracht maakte.

      U zult echter nog iets anders in dit werk van 1946 kunnen ontdekken, nl. een streven om helderder te worden in zijn kleur.

      Een verblijf van tien dagen in Parijs, waar hij onderdook in de grote moderne Fransen, geeft hem de zekerheid dat hij zijn werk in deze richting nog vervolmaken moet.

      Teruggekomen ziet hij zijn eigen tentoonstelling in Amsterdam in Arti en verzucht in een brief van 24 Augustus 1946:

"Toen ik mijn werk zag in Amsterdam, werd me één ding heel duidelijk: dat ik wat de kleur betreft nog heel wat van de Fransen moet leren. Ik moet mij nu werpen op die laatste moeilijkste taak, die ik na alles wat ik in Parijs zag zó zou kunnen definiëren: niet te schilderen naar kleur van het gegeven, maar het gegeven te schilderen vanuit de kleur, die in je is. Van Gogh zegt in een van zijn brieven: schilderen vanuit het palet. En dan wil ik daarbij veel tekeningen maken en veel naakt, want ik heb het gevoel door het naakt de vrijheid te krijgen die ik zo dringend nodig heb".

      Gedurende een nieuwe retraite van een paar maanden werpt hij zich op de oplossing van dit probleem. In het werk van '47 kunt U zien hoe hij zich die vrijheid heeft veroverd. Eerst nog alleen in het studiewerk en in een enkele opdracht, waarin hij zich vrij voelde. De portretten van Lucie Koch (no. 19) en Sytske (no. 17), die beide hier hangen, zullen U duidelijk maken waar het hem om te doen was.

      Als hij voelt dat het hem gelukken gaat, is hij ook in zijn opdrachten niet meer klein te krijgen. Hoort U maar wat hij naar aanleiding van één daarvan schrijft:

"Het portret was een groot succes. Allen zwijmelden vanwege de goede gelijkenis, alleen zoonlief ontstemd, omdat papa's haardos niet wit genoeg was - gezegd, wit erg duur na de oorlog, doch watten weer voldoende verkrijgbaar en genegen die op te plakken. De loeder !"

      Verbeten houdt hij deze strijd vol. Tussen een nimmer aflatende stroom van opdrachten door maakt hij het portret van Tanja Vogel (no. 20A) voor zich zelf. Hij concentreert er zich geheel op, iets vol te houden in een bepaalde kleurstelling.

      Toch mist hij iets in het resultaat, dat hij vroeger wel wist te bereiken. Toevallig ziet hij ouder werk van zich zelf en schrijft op 9 November 1948:

"Wel had ik weer eens een flinke opdonder, toen ik in Eindhoven drie oude dingen van mij terug zag, die ik alle drie van sentiment veel dieper en rijker vond dan wat ik nu maak. Het was alsof een vreemde die dingen gemaakt had, iemand die het leven anders zag dan ik het nu zie. Frederik Reitman troostte me, zeggend: je hebt één been vooruitgezet (op het punt van zuiverheid van kleur), nu moet ook het andere been weer vooruit. Het is heel aardig gezegd, maar zou het zo zijn ? Zou ik die onvolkomenheden en vrijheden, die illusie wekkende verdoezelingen naar een donkere fond, die allen meewerkten om alléén maar uit te drukken wat je op dát ogenblik te zeggen had - zouden die ook te bereiken zijn als het schilderij van a tot z helder is en opgeruimd als deze laatste portretten ?
Ben ik zelf niet een ietwat vage, slordige geest, die nooit iets precies weet en meer afgaat op intuïtie dan op klaarheid ? En past die vroegere smeerboel niet veel beter bij mij, dan wat ik nu doe ? Hoe het zij, ik kan niet meer terug. Misschien kan me redden een bliksemsnelle virtuositeit, die meer aanduidend is en illusie-wekkend, toegepast in heldere kleuren, nadat het idee gerijpt is".

      Nóg een periode van drie maanden, waarin hij iedere opdracht afwijst, strijdt hij voor de oplossing van zijn probleem.

      Hij voelt de overwinning naderen als hij in Augustus '49 schrijft:

"Het werk gaat nu in een zeer vaste lijn voorwaarts. Er komt eindelijk een macht in mijn handen, die mezelf soms verbaast; er komt iets in sommige partijen . . . . . een uitdrukking door de kleur !"

      In die tijd schildert hij zijn eigen moeder (no. 21). Veel duidelijker dan het onder woorden gebracht kan worden, kan dat portret U vertellen, wat hij zocht en vond. De kleuren zijn helder, doorzichtig bijna. De overgangen tussen licht en donker zijn de enige hulpmiddelen voor de plastische illusie, zijn innige liefde voor de persoon van zijn moeder straalt U uit dit werk tegemoet. De bezonken wijsheid van deze oude vrouw, die leeft in de brieven, die zij schrijft en ontvangt, maken U stil en geroerd.

      Naar mijn bescheiden mening is dit portretkunst van de hoogste orde. In alle tijden zal hiervoor waardering worden gevonden...

      Hij blijft trouw aan zijn ideaal, trouw aan zichzelf, maar hij voelt ook behoefte aan erkenning, en lijdt onder het etiquet, dat zijn kunstbroeders en de officiële kunstcritici hem hebben opgeplakt. Voor hen is hij "opdrachtschilder", die zich niet zuiver aan de Kunst (met de grote K) wijdt, maar zijn opdrachtgevers wil voldoen. Zij moesten eens weten, hoe hier gestreden is en wordt, om het eigen ideaal en de eigen persoonlijkheid niet op te offeren aan de kunstmode van deze tijd.

      Hij wil voor het officiële voetlicht treden en organiseert in '49 een tentoonstelling van zijn werk in Rotterdam. Als hij heeft uitgezocht wat hij wil ophangen en het geheel overziet, schrijft hij in October '49:

"Dit is dan eindelijk de eerste aanval op het odium van "opdrachtschilder" en dit is geen slecht begin".

      De critici met de meeste autoriteit zwijgen nog, maar de opdrachten, ook zeer vererende, stromen binnen.

      Het gemeentebestuur van Den Haag wijst hem aan om voor de raadszaal in het nieuwe stadhuis een portret van Koningin Juliana te schilderen. Hij aanvaardt het, maar weet dat dit een moordende opdracht is, daar Hare Majesteit niet kan poseren voor al die portretten, die na de troonsbestijging van Haar gemaakt moeten worden. Enkele uren zouden hem dagen en weken van tasten in het duister hebben kunnen besparen.

      Ook het officiële schilderij, dat de Regering van de souvereiniteitsoverdracht wil laten maken, valt hem ten deel. Ook die opdracht aanvaardt hij, wetende dat dezelfde moeilijkheden hem hier wachten. Zijn onblusbaar gevoel voor humor helpt hem echter in zulke gevallen dikwijls over zijn moeilijkheden heen.

      Hem wordt toestemming verleend, bij deze plechtigheid aanwezig te zijn. Hij schrijft:

"Als je de film ervan hebt gezien, heb je mij ook gezien: de enige, die op een stoel stond tijdens het Wilhelmus en dat met een penseel in de hand en in jacquet !"

In '50, '51, en '52 vergt hij te veel van zich zelf. Hij beseft, dat hij in deze jaren het hoogtepunt van zijn productiviteit heeft bereikt. Hij weet niet wat de toekomst brengen zal en acht zich tegenover zijn vrouw en kinderen verplicht, hun toekomst zeker te stellen. Hij werkt als een bezetene aan het vervullen van opdrachten, exposeert eigen werk, dat hij in de spaarzame momenten, die hij voor zichzelf reserveert, maakt.

      Noodkreten bereiken me, waarvan ik U een enkele wil citeren om U een indruk te geven hoe sterk hij de boog gespannen heeft.

"Tot begin Mei zit nl. alles als een bus in elkaar. De twee Koninginne-portretten zijn klaar gekomen vandaag. Morgen en Maandag een kinderportret. Dinsdag, Woensdag en Donderdag Prof. Elias, Donderdagmiddag de heren uit Kampen. Vóór Zaterdag de burgemeester en enkele wethouders uit Den Haag. De week daarop hangen in Pulchri, dan hangen in Kampen en aanbieding in Kampen (er komt nl. ook nog een kleine expositie daar) en daartussendoor zoveel mogelijk afmaken van Elias. Het is dus een moorddadig programma, dat uit hangen en afmaken bestaat."

      Zijn eigen werk gaat er onder lijden. Dat ziet hij zelf ook duidelijk in. November '52 heet het:

"De schilderijen waar ik op het atelier mee bezig was, toen je de laatste keer bij me was, zijn niet veel verder gekomen, want deze zomer is voor het huishoudgeld goed, maar voor mijn werk heel slecht geweest en voor mijn gezondheid al even beroerd. Door een toevallige omstandigheid had ik wel vijf of zes jubileumportretten te maken, allemaal van die echte portretten zoals je ze van me kent; van die Hollandse zakenlieden - grijs pak, grijze das, grijze ogen, grijs haar, grijze fond, flonkerbril met hoornen rand, Ned. Leeuw of officier in 't knoopsgat. Mon Dieu, mon Dieu, het is te veel geweest !"

      Maar hij weet van geen terug meer, al raadt zijn medicus hem tot kalmer tempo.

      Een grote tentoonstelling in Pulchri zal alle reserves in de schilderswereld overwinnen. Als een bezetene werkt hij. In Mei '53 is hij klaar. Een uur voor de opening tref ik hem met zijn vrouw in de bestuurskamer van Pulchri aan. De hele morgen heeft hij "gehangen". Hij ziet er uit als een geest en is moe als een hond. We gaan samen de grote zaal binnen. We zijn alleen en worden omringd door zijn werk. Ik stond als aan de grond genageld. Hij had kans gezien alle wanden van deze grote ruimte te vullen met vrij werk uit de laatste 3 jaren. Een doodenkele opdracht, die hij deze eer waardig keurde, hing er tussen. Zeker een tiental stukken in olie en pastel kende ik niet. Ze waren in de laatste drie maanden gemaakt! Ik was er totaal van ondersteboven!

      Dat scheen echter op Sierk een heilzame uitwerking te hebben, want hij kikkerde helemaal op. Dat was wel nodig, want de opening van een tentoonstelling is voor de schilder geen pretje. Toute La Haye was opgedraafd. Voor ieder had hij een hartelijk woord, ieder gaf hij de indruk dat nu juist zíjn komst voor hem de vreugde van deze dag betekende. Behalve de Mangkoe Negoro heb ik nooit zo'n voorbeeldig gastheer meegemaakt. Hij zou U allen stuk voor stuk zeker hetzelfde gevoel geven, wanneer hij hier aanwezig zou zijn.

      Mogen zijn woorden, die ik citeerde, zijn werk, en, last but not least, jij, Miesje, deze taak van hem overnemen.
_____________________________________________________________________

Mr. J.A. (Jacques) Schreuder was algemeen directeur van J.B. Wolters Uitgeversmaatschappij. Hij leerde Sierk kennen in de periode dat hij kinderboeken voor J.B.W. illustreerde. Schreuder volgde zijn ontwikkelingen als schilder op de voet. Tussen beiden ontstond een warme vriendschap en een uitgebreide briefwisseling (die in het bezit is van de Stichting Sierk Schröder).

Als Sierk kort na WOII overstelpt wordt met portretopdrachten rest hem geen tijd meer voor het vrije werk. Dit gaat hem steeds meer benauwen. Tot Sierks grote opluchting lost Jacques Schreuder dit probleem op: hij stelt Sierk in de gelegenheid gedurende drie jaar steeds drie maanden per jaar geheel vrij te kunnen werken. Deze vrije tijd financiert Schreuder door een vast bedrag per maand.


Voor deze tentoonstelling schreef Sierk Schröder, op verzoek van de redactie van "Ik blijf werken" een inleidend artikel: Over het zien van schilderijen

Uit het archief van de Stichting Sierk Schröder